Volg ons

FacebookPinterest

Twitter

Bij mijn grootouders was de oorlog een donkere schaduw die hen achtervolgde tot in tafelgewoonten toe. De geleden ontberingen maakten hen tot hun laatste dag tegenstanders van de verspilling van ook maar één morzeltje voedsel. Ook hun opvattingen over luxe waren door de oorlog ingekleurd. Je deed ofwel boter ofwel beleg op je brood, maar niet allebei want dat was erover, al te gekke en overbodige luxe. En néé het waren geen 'ollanders en hun keuken was verder niet karig. Om zich luxe-goederen te kunnen veroorloven, zijn er heel wat mensen die bereid zijn het menu te beperken tot boterhammekes met choco (van den Aldi), maar dat was niet het geval bij mijn grootouders. Niets verspillen vonden zij, maar wél lekker eten of eens een specialleke. De zaterdagse middagtraditie van peren en porto als dessert en lekker lang natafelen staat mij tot op vandaag nog voor ogen als luxe in alle betekenissen van het woord.

Hoe relatief luxe is, dat zien we vaak het duidelijkst als we de opvattingen over eten beschouwen.

Wat vroeger doorging voor luxe is nu mainstream – maar verrassend genoeg is ook omgekeerd hetgeen vroeger voor arme-mensenkost doorging, nu echt luxe.
Oesters bijvoorbeeld. Dat zijn we al vergeten. Het was eten dat de arme mensen zelf gingen 'steken' op de pier en aan de kades in de haven. Er bestaan beroemde schilderijen met dergelijke taferelen, van schilders die gespecialiseerd waren in "sociale" onderwerpen. Op Cuba is kreeft heel gewoon, je moet er enkel even zelf naar duiken. De niet bepaald kapitaalkrachtige bevolking heeft ontdekt dat het hun budget aardig kan aanvullen als ze het in huiskamer-restaurantjes aan verwende toeristen aanbieden, die het wel als luxe ervaren.

Vlees eten, dat was heus geen dagelijkse bedoening in onze contreien. En dan al zeker niet de 'mooie stukken' zoals biefstuk of rosbief. Er waren slagers die zich specialiseerden in vlees voor de minder begoeden, zogenaamd afvalvlees zoals maag, lever, niertjes, poten en oren, bloedworst, en laten we vooral paardenvlees niet vergeten. Tijdens de "vette jaren" verdwenen die slagers één voor één, en uit die tijd dateert ook uiteraard de term 'biefstukken-socialisten'. Het afvalvlees verstopte zich in zwanworstjes en op iedere Vlaamse tafel stond quasi dagelijks vlees 'van de goede stukken van het beest'.

Nu zien we weer een omgekeerde tendens: het chique volk beweegt zich als eerste weer in de richting van arme-mensenkost. Wie zich nu in armoede bevindt, zal zich daar niet toe geroepen voelen, want die arme-mensenkost is intussen wel helemaal opgekleed. De restaurants waar hij geserveerd wordt zijn hip en exclusief en mikken op yuppies. De tripes en bloedpansj op de kaart kosten er evenveel als steak of lamsbout.

De aandacht voor duurzaamheid en consuminderen die stilaan opgang maakt is nu de nieuwste luxe-trend bij begoede jonge werkende Vlamingen. Uit principe zéker niet alle dagen vlees! Wel wekelijkse groentepakketten van bij den boer, bio yoghurt, doe-het-zelf aan huis bestelde papieren zakken met recept en ingrediënten die geen afval of overschot geven, enkel vis met een label uit niet overbeviste wateren – en natuurlijk is dit, hoewel minder, allemaal duurder. Soberheid is de nieuwe luxe.

Arme-mensenkost noemen we nu soms ook met een eufemisme 'de vergeten keuken'. Daar moet ik eigenlijk wel een beetje om lachen. Want het is meestal minder de gerechten of producten zélf die vergeten waren, maar eerder hun "context".